De bus van morgen
Toen hij wakker werd, wees de klok 3:12 aan.
14 april.
Hij wist zeker dat het 19 augustus was.
Het koffieapparaat borrelde al voor hij het aanzette.
Op de tafel lag een envelop zonder naam. Binnenin lag een sleutel. Hij herkende hem, maar wist niet waarvan.
De voordeur stond open. Toen hij hem achter zich dichttrok, liep een vrouw met een ladder over haar schouder voorbij.
‘Het is al gebeurd,’ zei ze.
‘Wat?’
Ze keek hem aan. Lang. ‘U had boven moeten zijn.’
Ze zette de ladder tegen een lantaarnpaal. Halverwege zat een deurtje, niet groter dan een broodtrommel. Ze klom omhoog, vouwde haar lichaam dubbel en verdween. Het deurtje klikte dicht. Meteen ging de lantaarn uit.
Bij de bushalte zat een man zonder gezicht. Hij hield de krant ondersteboven.
‘Is de bus al geweest?’ vroeg hij.
‘Die komt morgen,’ zei de man. ‘Zoals altijd.’
Op kantoor stond zijn stoel een halve meter van het bureau af. Op de zitting lag een briefje in zijn eigen handschrift.
‘Niet gaan zitten. Dat is hoe het begint.’
Hij schoof hem terug naar het bureau en ging zitten.
Onder de zitting lag een sleutel. Warm.
Hij hield hem even in zijn hand. Toen stak hij hem in zijn mond.
Geplaatst in de categorie: overig

Geef je reactie op deze inzending: