De spijker
(Naar het gedicht van Martinus Nijhoff – De soldaat die Jezus kruisigde)
Hij houdt de spijker tussen duim en wijsvinger, de punt tegen de huid.
Nog niet slaan. Eerst vastzetten. Voelen waar het bot zit.
De man ligt niet stil. Zijn polsen trekken in het touw. De soldaat grijpt de pols, duwt hem plat op het hout.
‘Hou vast,’ zegt hij tegen iemand achter hem.
Hij zet de spijker opnieuw.
De hamer is zwaar vandaag.
Dan zegt de man zijn naam.
Zacht. Alsof hij hem al kent. Alsof hij hem herkent, van vóór dit veld, vóór de zon zo hoog stond.
En dan:
‘Heb mij lief.’
De soldaat lacht. Een ander vloekt.
Een knie drukt op de borst.
Hij heft de hamer. De eerste slag mist bijna. De tweede treft. Het geluid is dof.
De hand onder de spijker trekt samen, opent zich weer.
Hij slaat door. Nog eens. Nog eens. Hij kijkt niet meer naar het gezicht.
Als het klaar is, blijft de hamer even in de lucht hangen. Dan laat hij hem zakken. Zijn hand trilt. Hij veegt hem af aan zijn tuniek.
Later, bij de schuur, vindt hij een spijker op de grond. Hij raapt hem op. Zet hem tegen zijn eigen hand. Niet diep, maar genoeg om de huid te voelen wijken.
Hij krast in het hout. Steeds weer hetzelfde.
Mensen vragen wat hij doet.
Hij kijkt naar zijn hand.
‘Hij heeft een spijker door mijn hand geslagen.’
Geplaatst in de categorie: religie

Geef je reactie op deze inzending: