Inloggen
voeg je verhaal toe

Verhalen

The Clown

CLOU

Misschien is het de lucht hier, de zweterig duffe lucht van mensenzweet die me ongerust maakt. Op de één of de andere manier is het deze keer nog erger dan de vorige keer, nu al weer een week geleden. Ik onderdruk het schuldige gevoel in mijn maag, wetend dat ik veel eerder op bezoek had moeten komen. Het is schemerig in de woonkamer, stofjes dansen de tango voor mijn ogen. Ik ga bijna over mijn nek als ik in de hoek van de kamer een broodje zie liggen dat zo beschimmeld is dat ik verwacht dat het elk moment kan gaan lopen. Ik slik en wendt mijn blik af. In de keuken hoor ik gerommel. “Papa?” roep ik aarzelend, bang om aan te treffen wat ik aan zal treffen. Er klinkt het geluid van een brekend bord en dan een rij vloeken. Ik huiver als ik de ruimte binnenloop. De geur van alcohol vertelt mij alles van de stand waarin pappa moet zijn. Een spleet licht valt door de gesloten jaloezieën waarvan één rij ontbreekt en valt op de keukentafel. Er liggen gesloten enveloppen, blauwe brieven van de belasting en de rest rekeningen van iedereen en alles. Maar papa heeft niets meer, geen geld, geen baan, geen gezin. Het weinige geld dat hij zo nu en dan krijgt, gaat op aan drank. Ik werp een blik door de ontbrekende rij jaloezieën. De tuin, ik herinner me plotseling hoe hij eruit zag en schrik van de aanblik ervan. Overwoekerd door onkruid en wilde gele bloemen, van het tuinpaadje is niets meer over. Papa kijkt verwildert naar me op. Ik zie zijn bloeddoorlopen ogen en een golf van medelijden overspoelt me. “Heb je drinken bij je?” Hij zit op de grond, tegen de keukenkastjes aan. Ik kan zijn gezicht niet onderscheiden in de schemerige ruimte. Als hij overeind probeert te komen merk ik pas de fles in zijn rechterhand op. Moedeloos laat hij zich weer zakken. “Ik kan het niet,” mompelt hij zachtjes. Ik hurk voor hem neer. Zijn haar is in korte tijd grijs geworden van al het verdriet en tegenslag die hij in zijn leven heeft ondervonden. Hij was ooit de gelukkigste man op de aarde, met een gezin; een vrouw en twee schatten van zonen. Hij had een baan, makelaar, verdiende genoeg geld want hij was er goed in en deed het met plezier. En dan opeens, alles weg. Ik pak zijn hand en streel hem. “Het geeft niet, papa. Het geeft niet.” Hij sluit zijn ogen een paar keer. De fles rolt uit zijn krachteloze hand om tegen een stoelpoot tot stilstand te komen. “Waarom, Clou?” vraagt hij opeens zachtjes aan me. “Waarom deed ze me dit aan?” Ik schud mijn hoofd. “Ze kon er niets aan doen, pap,” antwoord ik zoals altijd als hij me dat vraagt. “Het gebeurde nu eenmaal.” Ik weet niet of hij me hoort. Hij staart langs me heen in het niets. Uiteindelijk brengt hij uit: “Wordt nooit zoals mij, Clou.” Ik sla een arm om zijn schouders en help hem overeind te komen. Onzeker staat hij op zijn benen. Zijn gewicht leunt zwaar op me, maar ik weet hem naar de woonkamer te loodsen. Als hij veilig en wel op de bank zijn roes ligt uit te slapen begin ik met opruimen.

CLOU

Het is doodstil in het lokaal. De drukte van net is weggestorven als sneeuw voor de zon. Er klinkt alleen nog maar een irritante getik van een potlood tegen een tafelblad. Van der Meide staat achter zijn bureau, zwijgend kijkt hij de leerlingen één voor één aan. Een moedeloze, teleurgestelde uitdrukking staat op zijn gezicht en hij doet geen moeite meer om het te verbergen, want het is hoe hij zich voelt. Opeens vraagt iemand in zijn hoofd zich hardop af of hij wel een goede leraar is? Moet hij het niet opgeven? Hij heeft er nu toch al minstens 30 jaar lesgeven opzitten, is het geen tijd om er een punt achter te zetten? Het is een slopende stem, die al vanaf de eerste minuut van deze les op hem inpraat. Het is de stem van zijn geweten, de stem die afkomstig is van de laffe kant van Gerard van der Meide en die hij wijselijk probeert te negeren. Natuurlijk sloopt het hem wel langzaam en hij kan zomaar raden dat het deze nacht een goede is om proefwerken na te kijken. Hij dacht dat hij deze klas wel aankon, ondanks hun reputatie. Het was hem nog nooit overkomen dat hij niet wist wat hij moest doen, nu wel. Toen hij de klas eindelijk had kunnen bewegen op hun stoel te gaan zitten én stil te zijn was het uiterste slopende getik begonnen wat in zijn hersenen begint door te dringen waar het een vage hoofdpijn oproept. Hij voelt zich net Kapitein Haak die in de disneyfilm Peter Pan werd achternagezeten door een krokodil met een ingeslikte, nog tikkende klok. Weer glijden zijn ogen zoekend door de klas, wanhopig zoekend naar de dader, maar elk gezicht is zonder uitdrukking, starend naar hem of naar iets anders. Zijn rode gelaatskleur verandert langzaam in een vale, ongezonde kleur. Zweetdruppeltje parelen op zijn voorhoofd en stromen langzaam over zijn gezicht. Hij haalt een paar maal diep adem, maar kan zijn onrustig kloppend hart niet onder controle krijgen. Ik staar naar de man, ik kan zijn gedachten gewoon aflezen van zijn gezicht. De wanhopige uitdrukking is verdwenen, een teleurgestelde is er voor in de plaats gekomen. Teleurgesteld in zichzelf, omdat hij het niet aankan terwijl hij dacht van wel. Een cynisch glimlachje verschijnt op mijn gezicht, ik dacht ook dat ik het aankon, maar ik kan het ook niet aan. Opeens wordt de stilte-met-het-potloodgetik op ruwe wijze doorbroken door Ariena, die in een hysterisch lachbui schiet. Ik werp een geërgerde blik op haar, het zenuwachtige meisje dat nu haar handen tegen haar mond perst om het lachen te onderdrukken, maar wetend dat de hele klas naar haar kijkt doet haar alleen nog maar hysterischer lachen. Van der Meides ogen glijden onderzoekend over Ariena heen, ongeïnteresseerd, omdat hij weet dat zij niet de belangrijkste herrieschopper is van de klas. De belangrijkste herrieschopper in dit gezelschap ben ik. Ik stop met het tikken en berg bedachtzaam mijn potlood op in mijn etui. Dan wissel ik een blik met Youri, die een voorzichtige glimlach op zijn gezicht laat zien. Dan sta ik langzaam op, iedereen draait zijn hoofd met een ruk om, Ariena is niet meer belangrijk. Van der Meides ogen twijfelen tussen Ariena en mij, niet lang, want de keuze is niet moeilijk. Met toegeknepen ogen neemt hij mijn gezicht op. Proberend te taxeren wat ik van plan ben, misschien enige opties afgaand. Maar ik weet dat mijn gezicht ondoorgrondelijk is, er is niets op af te lezen. “Versluis,” klinkt zijn snerpende, doch aarzelende stem, “wat ga je doen?” Ik kijk hem doordringend ernstig aan, zijn blauwe ogen zijn troebel en ik weet dat hij op alles voorbereidt is of denkt te zijn. Hij kent immers de verhalen? “Bedoelt u mij, meneer van der Meide?” vraag ik, mezelf onschuldig op de borst prikkend. Nog steeds klinkt er op de achtergrond het zenuwzieke gegrinnik van Ariena, wat me mateloos irriteert. “Natuurlijk bedoel ik jou. Wie anders, Versluis?” vraagt van der Meide, snel en ongeduldig. “Nou meneer, ik ben niets van plan, hoor.” Langzaam laat ik me weer terugvallen in mijn stoel. De lippen van de leraar beginnen te trillen en hij perst ze met kracht op elkaar om zich in te houden. Ik krijg het vermoeden dat hij het het liefst zou willen uitgillen: “WAT BEN JIJ EEN ONGELOOFLIJK PESTJONG!” Maar hij doet het niet, hij houdt zich in en buigt zijn hoofd. Moedelozer dan ooit.

TESS

De zon verwarmt mijn gezicht. Boven me drijven witte wolkjes over. Het gras kriebelt in mijn nek. Ik haal diep adem en hoor dan de naderen voetstappen over het grindpaadje. Ik zie Clou verschijnen, zijn donkere haren waaien in het koude briesje uit het gareel waarin de gel ze heeft gedwongen. Als hij me ziet liggen verschijnt er een glimlach op zijn gezicht. Ik wenk hem en hij laat zich naast me in het gras vallen. Een lange tijd zeggen we niets. Paartjes lopen voorbij, knuffelend en zoenend. Een enkele brugger holt gillend en schreeuwend over het grindpaadje op zoek naar vriendjes die hij hier niet zal vinden. In de verte klinkt een bel. De pauze is voorbij, maar ik verroer me niet. “Hoe gaat het, Tess?” vraagt hij me dan. Ik kijk opzij, naar de jongen die er altijd voor me is geweest sinds het ongeluk met mijn zus. “Goed,” zeg ik zachtjes, met een vage glimlach om mijn lippen. “Rosie zal niet meer de oude worden, maar ze is mijn zusje en ik geloof dat ze zich dat weer beseft. Ze gaat goed vooruit, dat zeggen de dokters ook. Het is moeilijk om na een coma te herstellen, maar het gaat.” Ik zwijg weer en lange tijd klinkt er niets naast me. “Hey, dat is toch goed nieuws?!” Ik stoot hem aan. Hij knikt en glimlacht weer naar me. “Rosie redt het wel,” zegt hij en dan omarmt hij me. Sterke, bekende armen om me heen, een seconde wens ik dat het weer was als vroeger. Ik met Youri en Carmen met Clou. Zoals het was toen we van de basisschool afkwamen, nu bijna vierenhalf jaar geleden; de onafscheidelijke vier musketiers dat het grote avontuur van de middelbare school aanging. Maar de vriendschap bleek minder hecht dan we hadden gedacht. Youri maakte het uit met mij, dat was een onverwachte klap voor mij op een rotmoment. Maar zo leerde ik wel dat iedereen vervangbaar is. Ik vond Clou, hij was altijd al de vriend van mijn vriend en opeens veranderde hij in iemand naar wie ik toe holde als ik problemen had. Ik snuif de geur van de zomer in. Rosie wordt weer beter! Het was een tijdje duister of ze wel kon herstellen, maar nu gaat alles als een trein. Deze beginnende zomer belooft veel goeds. De zon heeft alle problemen opgeklaard.

YOURI

Clou sloft met een ongeïnteresseerde uitdrukking op zijn gezicht, kauwend op zijn kauwgom en zijn tas achter zich aan slepend, het lokaal binnen. Meneer Hermans werpt een zwijgende, alleszeggende blik op jongen. Clou glimlacht liefjes naar hem, te liefjes, en zachtjes gegrinnik klinkt op. “Zo Versluis. Waar kom jij vandaan?” snerpt de stem van Hermans, het gegrinnik verstomt meteen. “Van buiten, meneer,” klinkt Clou’s heldere stem nuchter. Ik verberg een glimlach achter mijn hand. Hermans zucht diep. “Dat snap ik,” zegt hij langzaam. “Maar waarom ben je zo laat?” Ik schud mijn hoofd. Ze zullen het ook nooit leren, die stomme leraren. Clou is vrijwel elke les te laat tot ergernis van de docenten, maar als ze hem gewoon de les binnenlaten, niets aan hem vragen en op de dagstaat een L zetten van te laat is het probleem opgelost. Clou leunt tegen de voorste tafel en trekt een bedenkelijk gezicht. “Waarom ik zo laat ben?” Bedachtzaam woelt hij door zijn haren. Hermans die ziet dat hij zo nergens komt zegt ongeduldig: “Laat maar, jongen, ik zie dat die vraag te moeilijk voor je is. Ga maar zitten en hou je klep voor de rest van het uur.” Dan vervolgt hij met de uitleg, waarin niemand is geïnteresseerd. Als Clou naast mij neerploft ruik ik de rooklucht die om mijn vriend hangt. “Rook je weer?” vraag ik zachtjes. Hij kijkt me aan met een olijke lach in zijn ogen. “Ja, sorry, kan er niets aan doen,” antwoordt hij me verontschuldigend. “Is alles dan wel in orde thuis?” vraagt ik, wetend dat hij meestal weer begint met roken als het thuis verkeerd zit. Als Ricardo weer eens bonje heeft met de buurtkinderen of zijn moeder ontslagen is van haar zoveelste baantje. Ik weet dat er de laatste tijd iets is dat Clou dwars zit, maar ik vraag er niet naar. Misschien ben ik wel bang voor het antwoord, maar waarschijnlijker is dat ik toch een antwoord krijg dat niet waar is, een antwoord waarvan delen niet kloppen. Het heeft geen zin hem te vragen hoe het gaat, want hij zal er niet op antwoorden of alleen zeggen ‘goed’. Clou schudt zijn hoofd. Deze keer is het gewoon de verslaving die hem tot de sigaret heeft gedwongen, zegt hij. Carmen leunt achterover. “Waar is Tess?” informeert ze. Clou knikt naar buiten. “Park.” Carmen glimlacht, ze had het kunnen weten. Het is zulk mooi weer, dan kun je Tess niet binnenkrijgen. Ze gaat weer recht zitten als Hermans met de liniaal op het tafelblad slaat.
Plotseling springt Clou op. Het is bijna het einde van het lesuur. We mogen nog niet opruimen en zitten daarom gehoorzaam over onze wiskundeboekjes gebogen, bezig met het proefwerk van Engels het volgende uur. “Meneer, meneer,” roept hij opgewonden. “Ik weet het, ik weet het!” Hermans kijkt verstoord op vanachter zijn krant. “Wat?” vraagt hij stuurs, maar nieuwsgierig naar wat voor streek Clou nu weer in petto heeft. “Ik moest naar de wc!” Ik schiet in de lach, nog steeds weet hij me te verrassen. “Naar de wc?” Hermans lijkt het niet te snappen. “Ja, u weet wel, dat kleine vierkante kamertje, vaak met witte tegeltjes en zo’n pot . . .” “Ja, ik weet wat een wc is, Versluis, ” de leraar staat nu op, misschien wil hij zo de rust in de klas terugkrijgen. “Maar waarom weet je nu opeens dat je naar de wc moest?” Zijn stem klinkt ongeduldig. “Daarom was ik te laat,” roept Clou uit, een lach ligt om zijn lippen. Bij de leraar gaat er nu een lampje op. “Aha,” zegt hij weinig onder de indruk. “Ik moest een grote boodschap, snapt u en ik kon het niet binnenhouden, vandaar dat ik te laat was en . . .” “Bespaar mij . . .ons de details, wil je?” vraagt hij streng. De norse uitdrukking op zijn gezicht doet zelfs Clou in de lach schieten.

DANIËLLE VERSLUIS

Als mijn zoon langzaam de koele keuken binnensloft ligt er een vermoeide trek op zijn gezicht. Hij geeft me een kus en gaat tegenover me zitten. “Hoe was het op je werk?” vraagt hij. Ik sta op en loop naar de koelkast om de cola voor hem te pakken. Met de fles in mijn handen draai ik me om. “Goed,” antwoord ik, “ik ben niet ontslagen.” Hij trekt zijn wenkbrauwen op. “Dat is iets,” klinkt zijn nuchtere commentaar. “Ben je nog naar pappa geweest?” Hij knikt terwijl hij me scherp opneemt. Ik vraag niet hoe het met Klaus gaat, want ik wil het schuldige gevoel dat zich in mijn lichaam heeft genesteld sinds ‘de bekentenis’ niet aanwakkeren. Clou begint er echter zelf over en hoe graag ik het ook zou willen, ik kan er niet voor wegrennen. “Het zal misschien goed voor hem zijn als jij weer eens bij hem langs ging, mama,” dringt hij aan. “Het gaat elke week slechter met hem.” Zijn blauwe ogen hebben een smekende blik, maar hij weet net zo goed als ik dat Klaus me waarschijnlijk niet zal willen zien. Hij zal gaan schreeuwen en brullen, net zoals de vorige keer, nu al bijna een jaar geleden. Ik schud daarom beslist mijn hoofd en schakel over op een ander onderwerp. “Theodoor komt vanavond, dus zorgen jullie dat jullie boven zijn of weg??” Ik zet de cola voor mijn zoon neer. Hij kijkt naar het glas, een frons tekent zijn voorhoofd. Hij is een knappe jongen, net als mijn jongste zoon. De donkere golvende haren in combinatie met de betoverende helderblauwe ogen moeten meisjes aantrekken, dat kan niet anders. Ik hoor hem daar echter nooit over. “Wie is Theodoor?” vraagt Clou dan toch, ik had gehoopt dat hij het niet zou vragen. Ik laat me op de keukenstoel vallen en zucht diep voordat ik antwoord geef. “Mijn baas.” Hij zegt niets, maar ik zie in zijn ogen wat er op zijn lippen ligt: “Vandaar dat je nog niet bent ontslagen.” Hij zegt het niet, maar hij denkt het wel. Ik weet dat hij zijn vader mist, hij mist hem meer nog dan Ricardo, want Rico is altijd mijn zoon geweest. Clou hing altijd al meer naar zijn vader toe. Toen ik zei dat we gingen verhuizen gingen mijn jongens allebei met me mee, omdat ik dat van ze vroeg. Klaus bleef achter, alleen. Clou zou me nooit hardop aanvallen of tegenspreken, hij is gesloten, hij spreekt zijn ware gevoelens nooit openlijk uit. Misschien heeft hij dat van Klaus, niet van mij in ieder geval. Clou staat op en sloft naar boven. Zijn vermoeide uitstraling baart me zorgen, een jongen van zijn leeftijd zou dat niet moeten zijn. De cola staat onaangeroerd op de keukentafel. Ik haal mijn schouders op; het zal wel loslopen. In ieder geval heb ik andere zaken te regelen, wat moet ik in hemelsnaam aantrekken bijvoorbeeld? Dat korte rokje met een rode top erboven of . . .

RICARDO

Als ik de woonkamer binnen kom staat mamma voor de spiegel. Ze is bezig met haar haar. Ik geef haar de gebruikelijke kus en zeg dat ze er goed uitziet. Ze glimlacht dankbaar. “Dank je, schat,” zegt ze en omhelst me even stevig. “Maáám!” roep ik verontwaardigt, want eigenlijk ben ik te stoer om door mamma te worden geknuffeld, maar ik meen het niet. Mam vertelt me van Theodoor en ik ben blij voor haar. Ze verdient een leuke, knappe man, want ze is zelf ook knap en leuk. Mijn moeder heeft donkerbruine golvende haren en diepgrijze ogen. Ze heeft lange, zonnebankbruine benen en grote borsten waar ze trots mee pronkt. Clou vindt dat ze er soms hoerderig uitziet, dat zegt hij wel niet, maar ik zie het aan die wenkbrauw die hij soms geringschattend, bijna spottend optrekt. Ik laat me op de bank vallen en zet de televisie aan. Mam is klaar met haar haar en draait voor me rond. Het strakke rode truitje is laag uitgesneden en draagt de woorden PUSSYCAT, het accentueert haar slanke lijn. Het rokje is kort, maar ik ben niet anders gewend. Ik steek daarom glimlachend mijn duim naar haar op. “Klasse, ma.” Ze lijkt zelf ook erg tevreden. Dan komt Clou binnen. Hij heeft een pet op zijn hoofd en trekt net zijn jas aan. Hij werpt een blik op mamma en ik vraag me af wat hij denkt. Hij zegt: “Je ziet er goed uit, ma.” Ze glimlacht flauwtjes naar hem en kijkt hem na als hij de achterdeur uitloopt. “Dat meende hij niet, hé?” vraagt ze me. Even wilde ik zeggen dat het onzin was; natuurlijk meende hij het wel. Maar dat kan ik haar niet aandoen. Clou liegt ook al tegen haar, weliswaar met goede bedoelingen, maar toch . . . Ik schud mijn hoofd. “Nee, mam, maar hij wil het echt wel.” Ze knikt en staart een moment triest voor zich uit. “Het is toch een goede jongen,” zegt ze meer in zichzelf dan tegen mij. En dat is hij ook. Clou is een geweldige jongen, hij is mijn grote broer en ik kan altijd naar hem toe als ik problemen heb, net als mam. Hij is onze persoonlijke psychiater. Mam is ook trots op hem, maar ze weet, net als ik, dat hij het haar kwalijk neemt. Hij neemt het haar kwalijk dat pappa zich dood drinkt. Zelf weet ik het niet. Mamma was niet gelukkig in haar huwelijk, ik weet niet hoe het met pappa zit, ma is in ieder geval beter af zonder hem.

CLOU

Hier voel ik me pas thuis. In de onpersoonlijke schemerige ruimte met de knipperende lichten van de gokkasten. Snel diep ik mijn salaris op. Het baantje bij de supermarkt brengt niet veel op, maar het is nu genoeg. Ik gooi een munt in de sleuf en grijp de hendel. Ik snuif diep de sigarettenrook in die om me heen hangt. Het vage besef dat ik verslaaft ben is er wel, maar wat geeft het eigenlijk? Ik ben niet zo gek dat ik iemand ga beroven om aan geld te komen om dan weer te gokken. Ik leen wel eens wat hier en daar, maar dat weet ik later meestal wel weer terug te betalen. Ik kom hier ook maar één keer, twee keer per week. Wat kan er verkeerd gaan? Kijk, van roken ga je dood, van drugs ook en van alcohol op de lange duur ook. Van gokken echter niet, het kan dus gewoon geen kwaad. Niemand van school of thuis weten er iets van. Zelfs Ricardo niet. Pappa vermoedde wel iets toen hij nog thuis woonde, maar hij probeerde het te negeren zoals hij alle problemen in zijn leven negeerde. Opeens klinkt er een stem achter me. “Clou, jongen, ik krijg nog geld van je.” Ik bevries en een koude angst neemt bezit van mij. Een soort wanhopigheid. Ik kan nu geen kant meer op. Langzaam glijdt mijn hand van de hendel. Een hand grijpt ruw mijn schouder en draait me om. De vuile lucht van sigaren dringt in mijn neus binnen. Arnie gunt me één van zijn gemeenste lachjes en ik doe niet eens de moeite meer om weg te rennen zoals de vorige keer. Deze keer heeft hij me te pakken. Ik had niet verwacht dat de man me hier zou komen zoeken, in dit hol. Ik voel een hand mijn zakken doorzoeken. Het is Paulie, één van Arnies duistere vrienden. Munten rinkelen, worden uit mijn zakken gehaald. Gelaten buig ik mijn hoofd. “Ik kom nog terug, jonge vriend,” belooft Arnie gul. Als ze weg zijn schop ik buiten mezelf van woede tegen de gokkast. Ik had ook nooit zo dom moeten zijn om bij hem geld te lenen. Hoe kon ik zo dom zijn? Ik vloek en trap weer razend tegen de kast. Wat voor een sukkel ben ik ook? Dan pakken een paar stevige knuisten mij beet en zetten me ijskoud buiten de deur. “Herrieschoppen doe je maar ergens anders,” klinkt er koel. Buiten schijnt de zon. Ik knijp mijn ogen tot spleetjes en bijt mijn lippen op elkaar. Oké, waar moet ik nu heen? Waar kan ik heen? Wie zou het begrijpen? Wie begrijpt mij? Niemand. Niemand. Er is niemand die het zou snappen. Ze zien me toch allemaal als iemand die ik niet ben.
Pappa ziet me al helemaal niet door die vervloekte waas van alcohol. Ik mag blij zijn dat hij me soms herkent.
Mamma wil me niet zien, omdat ik het haar kwalijk neem dat pappa zich langzaam de vernieling indrinkt.
Ricardo ziet me als zijn grote perfecte broer en ik durf hem niet uit die droom te halen.
Youri kent me niet, denkt dat ik gewoon een vrolijke jongen ben zonder veel problemen. Ik heb hem wel eens over mamma’s vreemdgaan verteld, maar hij wist niet hoe hij ermee om moest gaan.
Ik lieg tegen iedereen, ik ben ook zo’n ongelofelijke eikel. Ik zeg dat het goed gaat, doe alsof het goed gaat, probeer me zelfs goed te voelen, maar het lukt me niet. Ik ben gewoon waardeloos.

ALFRED VAN WOUDEN

Ik tel de hoofden die allemaal net doen alsof ze goed bezig zijn. Natuurlijk ik weet wel beter, ze zijn met alles behalve Geschiedenis bezig. Ik kan ze geen ongelijk geven, zelf kan ik me ook moeilijk concentreren. Er is ook wel het één en ander aan de hand. Ik kan daarom moeilijk boos op ze worden, ik ben er zelf immers ook bij betrokken? Natuurlijk mag ik hun dat niet laten merken, ik ben gewoon maar een leraar, niet eens hun klassenleraar. Maar ik ken hen vrijwel allemaal zo verschrikkelijk goed. Ik weet precies wat er in hun omgaat. Sinds dat ze bruggertjes waren en onder de indruk van het ene lokaal naar het andere huppelden ken ik ze al. En zij mij. Maar nu zitten ze allemaal al in de vierde. De tijd vliegt, tenminste dat deed het . . . tegenwoordig heb ik het gevoel alsof de dagen maar traag voorbij kruipen. Ik werp een blik op hun dagstaat. Helemaal blanco. Normaal zou ik er blij om zijn, of er iets achter zoeken, waarschijnlijk dat laatste. Nu echter weet ik dat de dagstaat echt is, de kinderen hebben gewoon geen zin meer om te gaan keten. Ze hebben de kracht en zin er niet meer voor. De laatste weken hebben hun geestelijk uitgeput. Ik zie het aan de vermoeide gezichten, ik hoor het aan de moedeloze zuchten die af en toe door het lokaal klinken. Met de cijfers is het al helemaal dramatisch gesteld. Het is een dalende lijn, volgens een wat trillerige Jeroen de Gier, hun conrector. Bezorgt vraag ik me af hoe het me de nadere proefwerkweek zal gaan. Ze moeten dan hun best gewoon doen, anders halen ze het echt niet. Ik schud de sombere gedachten uit mijn hoofd en tel verder. 21, 22, 23, 24 . . . mijn ogen blijven hangen bij de ijzig lege plek achterin het lokaal. De stoel staat zelfs nog op de tafel. Youri heeft niet de moeite genomen om hem eraf te nemen. Het is nu zijn tweede dag op school na de begrafenis. De andere dagen zat hij thuis, niet in staat iets te doen dan alleen maar voor zich uit staren. Ik ben toen bij hem langs geweest, maar ik kon hem niet bereiken, net zo min als ik dat nu kan. Hij heeft zich teruggetrokken in een eigen wereldje, een wereldje van schuld, vermoed ik. Ik kan me voorstellen dat de jongen zich, onterecht, de schuld geeft van het voorval. Ik heb mezelf ook meerdere malen afgevraagd of ik het niet had kunnen voorkomen? Als . . . Als . . . Als . . . Maar het besef dat niemand Clou had kunnen tegenhouden is bij mij heel duidelijk doorgedrongen. Bij vele anderen niet.
Zijn boeken liggen open op tafel, maar de geschiedenisfeiten die hem anders zo boeien lijken hem niet aan te spreken. Tijdens de les heb ik gezien hoe Youri soms een paar keer naast zich keek, een trieste trek om zijn gezicht. Alsof hij de beklemmende leegte naast zich voelde. Het is nu twee weken geleden, maar het lijkt wel gisteren. Nog steeds heeft het de school in zijn ijzeren greep. Ik zie het aan de gezichten van de leraren en aan de bedrukte gezichten van sommige kinderen. Youri kijkt uit het raam, hij wringt zijn handen krampachtig in elkaar. Zijn gezicht is wit geworden en zijn lippen zijn zo stevig op elkaar geperst dat ze wit zijn. Nieuwsgierig en een beetje angstig volg ik zijn blik en mijn adem stokt in mijn keel. Met een ruk draai ik mijn hoofd weer om en kijk ik de klas in. Verder heeft niemand de kleine gebogen figuur op het schoolplein opgemerkt. Even richt de gestalte zich op. Zijn ogen zwerven langs de ramen. Het is de eerste keer dat ik Ricardo zie na Clou’s dood. Zelfs van ver is zijn gelijkenis met zijn twee jaar oudere broer treffend, bijna angstaanjagend. De bruin, zwarte golvende haren, waarvan sommige pieken voor zijn felblauwe ogen hangen. Ik zucht diep en dwing mezelf de klas weer in te kijken. Het zou een schok zijn voor de jongeren om Ricardo weer te zien na Clou’s dood. Ik kijk recht in de doffe ogen van Youri. Zijn gezicht is vaal en de rode kringen rond zijn ogen zijn nóg duidelijker te zien. Zijn vinger gaat langzaam en bevend de lucht in. “Mag ik even naar de wc?” vraagt hij bijna onhoorbaar. Een traan rolt over zijn wang. Ik knik snel. Sloffend loopt hij het lokaal uit. Zijn schouders hangen naar de grond, net als zijn hoofd. De klas kijkt op en ieder volgt hem met zijn ogen. Ik kan de wanhoop van hun gezichten afscheppen. H4B is altijd een hechte groep geweest. Nu met Clou’s dood zijn ze extra naar elkaar toegegroeid. Ik hoor hen vaak over hem praten, maar Youri staat er altijd buiten omdat hij er weigert iets los te laten over zijn gevoelens. “Jongens, luister even naar mij,” zeg ik plotseling. Iedereen kijkt me aan, verbaasd, nieuwsgierig en soms nietszeggend. “Ik zie dat jullie het moeilijk hebben en zelf kan ik ook niet zeggen dat ik me goed voel.” Ik wil nog meer zeggen, maar Darren geeft me geen kans. “Wat kunnen we doen voor Youri, meneer?” vraagt hij vertwijfelt. “Ik kan het niet aanzien, hij let totaal nergens meer op.”
“Het is alsof hij de automatische piloot heeft aangezet en is weggelopen,” verteld Rachel met snikkende stem. “Hij is er zelf niet meer, hij is ergens waar we hem niet kunnen bereiken. Als we over Clou praten loopt hij weg of hij begint te schreeuwen dat hij het niet wilt weten en dat we hem met rust moeten laten.” De tranen lopen over haar wangen. Ik vraag me af of deze tieners Youri wel kunnen helpen, zijn ze er zelf niet te veel in verwikkeld? Ik speur hun gezichten af, vele zijn nat van de tranen. Tess ligt met haar hoofd op haar armen en haar schouders schokken wild op en neer. Haar beste vriendin Carmen heeft haar arm om haar heen geslagen en haar hoofd op haar schouders gelegen. Joey werpt soms een bezorgde blik achter zich naar de meisjes die zo samen treuren. Het enige wat ik kan uitbrengen is: “Geef het niet op bij Youri, jongens. Voor Clou.” Darrens gezicht krijgt een verontwaardigde trek. “Natuurlijk geven we niet op!” roep hij. “Hij was Clou’s beste vriend, we zijn het aan ‘The Clown’ verplicht.” Bij het gebruik van Clou’s bijnaam schiet een pijnscheut door mijn lichaam. De bijnaam die ik hem heb gegeven. The clown. En dat was hij van de buitenkant, maar van binnen was hij een depressieve jongen, dat is gebleken uit het gevonden dagboek. Leraren vervloekten hem omdat hij de les geweldig kon verstoren, nog meer dan de anderen in zijn klas. Maar tegelijkertijd waren ze eigenlijk allemaal dol op hem. Clou was iemand waar je niet lang boos op kon blijven. “Ik wil jullie als laatste nog iets zeggen,” zeg ik en iedereen richt zijn blik weer op mij. “Ricardo liep net over het schoolplein, daarom was Youri zo overstuur.” Ik zie dat Joey slikt, hij werpt een blik op zijn vriend naast hem. Darren staart mij aan. Zijn ogen staan bijna smekend, maar toch weet ik dat Ricardo de hulp van deze klas nodig heeft. “Darren?!” zeg ik dringend en hij knikt gewillig. “We zullen op hem letten.” De bel verstoort de geladen stilte waarin iedereen met zijn eigen gedachten bezig was. Het geschuif van stoelen klinkt op en het lokaal loopt leeg. Ik sta op om de stoelen recht te schuiven die iedereen in wanorde heeft nagelaten. Het is mijn laatste les vandaag, ik zou blij moeten zijn. Youri slentert het lokaal weer in. Zijn gezicht druipt nog van het water. Onverschillig wrijft hij met zijn mouw over zijn ogen. Hij loopt naar de hoek van het lokaal en begint langzaam zijn spullen op te ruimen. Ik kijk een beetje twijfelend naar hem, me afvragend of ik wat moet zeggen. Maar hij loopt al naar mij toe. “Hoe gaat het met u meneer?” vraagt hij en ik zie aan zijn houding dat hij het meent, hij wil echt weten hoe het me gaat. Ik woel met mijn hand door mijn haar en haal mijn schouders op. “Ik was erg aan hem gehecht, dat weet je.” Hij knikt, hij weet het wel. “Heb je met Ricardo gesproken?” vraag ik en hij knikt. “Hij kwam alleen maar even met de directeur praten,” vertelt hij. “U wist al dat hij over drie maanden gaat verhuizen is het niet?” Ik zwijg en neem niet de moeite om het bevestigend antwoord te geven. “Misschien is wel beter voor Rico en mevrouw Versluis.” Hij haalt diep adem en klemt zijn lippen weer op elkaar zoals hij altijd doet als hij het moeilijk heeft. Zijn armen hangen slap langs zijn lichaam. ‘Doe iets!’ schreeuwt mijn geweten, maar er gebeurt niets. Hij heft zijn hoofd op en kijkt me aan. Zijn ogen zijn wanhopig en glazig. “Ik weet niet of ik hier nog over heen kom, meneer.” Een prop begint zich te vormen in mijn keel en ik kan bijna niet meer ademen. Troostende woorden sterven op mijn tong nog voor ik ze uit kan spreken. Het enige wat ik kan doen is hem stevig tegen me aantrekken en mijn armen om hem heen slaan, zodat hij weet dat hij niet de enige is die het moeilijk heeft.

RICARDO

Als Youri eindelijk op het schoolplein verschijnt ziet hij er iets beter uit. Ik loop op hem af als hij zoekend om zich heen staat te kijken. Ik heb hem gezegd dat ik zou wachten, maar omdat ik niet herkend wil worden stond ik in de donkere schaduw van een boom met een pet op mijn donkere haren. Ik haat het wanneer mensen zeggen dat ik op Clou lijk, want het is niet zo. Clou is zo anders dan ik. Verdomme, nu vergeet ik weer dat hij dood is. Clou is dood! schreeuw ik zwijgend tegen mezelf terwijl ik op Youri afloop. De kinderen die nog op het schoolplein zijn blijven hangen draaien hun hoofd om en ik voel dat ze hun adem inhouden. Mama wil verhuizen en ik weet nu dat het beter voor ons is om ergens ver weg een nieuw bestaan op te bouwen zonder dat we elke dag herinnerd worden aan Clou. Het is niet dat we hem willen vergeten, nooit. Maar dit is te zwaar voor mam en ook voor mij. Youri slaat zijn arm om me heen en duwt me zachtjes richting het fietsenhok. Clou wás anders dan ik, hij had lef en ik niet. Ik was zelfs te laf om elke keer met hem mee te gaan naar pappa. Één keer maar ben ik met hem mee geweest. Toen ben ik zo verschrikkelijk geschrokken dat ik nooit meer durfde mee te gaan. Pappa is niet meer de vader die ik ooit heb gekend. Met de fles in zijn hand, wezenloos voor zich uitstarend in de rode fauteuil bij het raam, temidden van kranten, tijdschriften, voedsel van een paar dagen oud en lege flessen werd het me meer dan eens duidelijk dat de pappa die ik ooit had, nooit meer zal terugkeren. Tess staat in het fietsenhok met een sigaret in haar vingers, zenuwachtig wrijft ze met hand door haar ogen, die bloeddoorlopen zijn. Wallen onder haar ogen vertellen me dat ze net zo slecht slaapt als ik. “Hoi Tess,” zeg ik zo rustig als ik maar kan, maar toch trilt mijn stem van alle spanning. Ze kijkt me aan en neemt nog een trek van haar sigaret voordat ze zachtjes teruggroet. Een traan loopt over haar wang en snel wendt ze haar hoofd van me af. Ik staar naar haar rug en de pijn in mijn borst neemt toe. “Zorg voor jezelf, Tess,” zeg ik zachtjes en dan pak ik mijn fiets. Het is niet makkelijk zonder Clou, maar hij had veel vrienden en veel mensen missen hem. Ik probeer daar troost uit te putten hoewel dat verschrikkelijk moeilijk is. Youri staat geduldig op me te wachten en ik besef opeens dat hij de laatste tijd erg alleen is. Waar zijn Joey en Darren? Ik speur het schoolplein af en opeens zie ik ze staan. Ze leunen tegen het muurtje en voeren een fel gesprek met elkaar. Ik zie dat Darren vertwijfelt zijn armen in de lucht steekt. Joey buigt zijn hoofd, misschien ten teken dat zijn vriend gelijk heeft? Ik stap op mijn fiets en vraag me af of ik de enige ben die onveranderd is gebleven. Youri is veranderd als een blad die in de herfst kleurt. Van een vrolijke, drukke vriend tot een verdrietige, misschien zelfs depressieve jongen, die mogelijk nooit meer helemaal dezelfde zal zijn. Darren en Joey maken ruzie met elkaar en waarom krijg ik het gevoeld dat het met mij te maken heeft? Ik ben niet veel veranderd, of wel? Mama zegt dat ik serieuzer en behoedzamer ben geworden, rustiger ook. Dat is ook zo, maar een andere karakter heb ik niet gekregen. Ik ben nog steeds dezelfde Ricardo, het broertje van. . .

Zwijgend fietsen we een tijdje naast elkaar, niet wetend wat te zeggen. “Hoe gaat het met je moeder?” vraagt Youri dan uiteindelijk. Ik kijk hem aan en overweeg verschillende antwoorden. Ik wil hem niet ongerust maken, maar ook niet liegen. Het ging een tijdje goed met mam, ze leek het goed te verwerken, maar opeens… Ik weet niet wat er is gebeurd maar de laatste dagen is ze neerslachtig en cynisch, ze vraagt zich af of er, behalve mij, een reden is om verder te leven. De klap van Clou’s dood heeft haar op lange termijn onmeedogenloos geraakt. “Slecht,” besluit ik hem uiteindelijk de waarheid te vertellen, “ze vindt zich een slechte moeder.” Youri is een tijdje stil, mijn antwoord overdenkend en dan ik voeg er aarzelend aan toe: “Ze wist niet dat het zo slecht met hem ging.” Hij werpt een verwilderde blik opzij. “Niemand wist het, Ricardo,” zegt hij somber, “het ging niet echt goed, maar zo slecht dat hij zich van kant maakte…” Ik slik een prop weg voordat ik langzaam knik, hem gelijkgevend.

TESS

Ik staar naar Ricardo, die langzaam naast Youri wegfietst. De jongen is een jaar jonger dan ik, maar ik krijg het gevoel dat hij de laatste weken volwassener is geworden. Ik neem een trek van mijn sigaret en kijk een tijdje wezenloos voor me uit. Ik was gestopt, tot opluchting van mama, en heb het warempel twee maanden zonder nicotine volgehouden! Een wereldrecord in mijn ogen. Maar ik heb het opgegeven, het is, zeker nu, voor mij onmogelijk om zonder peuken te leven. Mama heeft er nog niets van gezegd, hoewel ze wel weet. Net zo min als ze niets heeft gezegd over mijn waarloze cijferreeks. Ze heeft wel geprobeerd met me te praten over Clou, maar daar weiger ik met haar over te praten. Ze heeft nooit mijn vriendschap met Clou kunnen accepteren, altijd zat ze op de jongen te vitten. En nu hij dood is vindt ze het natuurlijk verschrikkelijk, en opeens was hij toch nog niet zo verkeerd. Achterbaks noem ik dat, ik heb er geen andere woorden voor. Ze heeft Clou nooit zo gekend zoals ik en Youri en Ricardo. Waarschijnlijk zijn wij drieën de enige die hem ooit hebben zien huilen. Voor anderen was hij gewoon the clown van de school. Ik kan echter niet zeggen dat ik Clou goed gekend heb, ik wist niets van zijn depressiviteit. Dat neem ik mezelf kwalijk, ik krijg het gevoel dat hoe meer mensen bij hem aanklopten met hun problemen, hoe meer en meer hij in een hoek werd gedreven. Hij kon aan niemand zijn verhaal kwijt, hij kon het niet. Aan wie moest hij het vertellen, wie zou het begrijpen? Hij was zo gewend zijn eigen problemen op te lossen, dat hij aan niemand hulp kon vragen. Ik wist het niet; van zijn vader en moeder. Ik wist niet dat ze gescheiden leefden. Ik wist dat hij verhuisd was, van de Groot-hertoginnenlaan naar de Venuslaan een jaar geleden, maar ik heb nooit beseft dat zijn vader in het oude huis was achtergebleven.

Eerder heb ik gezegd dat iedereen vervangbaar is, dat is niet zo. Als mensen doodgaan kun je niet een ander pakken en daarvoor in de plaats zetten. Dat wekt alleen maar nare gevoelens op, dus de plek blijft leeg en iedereen loopt er omheen, een enkeling blijft even staan maar loop dan ook weer verder. Mensen moeten namelijk altijd weer verder, ze kunnen niet stil blijven staan. Dat betekent dat ik ook door moet gaan, ik weet niet hoe, maar het moet.

KLAUS VERSLUIS

Ik geloof het eigenlijk nog niet, het gevoel dat Clou elk moment kan binnenlopen is nog zo hevig. De begrafenis was mooi en plechtig, maar paste niet bij mijn jongen. Clou hoorde nog niet dood te gaan, niet op zijn leeftijd. Hij had nog een heel leven voor zich. Maar hij vond dat het goed was zo, blijkbaar.
Clou leek op mij. Ik ben een dromer, altijd al geweest. Toen ik trouwde wist ik dat Danni niet mijn grote liefde was, maar ik deed net alsof ze dat wel was. Ik wilde zo graag van haar houden dat ik het uiteindelijk ook deed. Diep in mijn hart besefte ik later wel dat ze vreemd ging, kleine dingentjes wezen naar die richting, maar ik negeerde het en hoopte zo dat het overging. Toen bekende ze me dat ze vreemdging en zo viel mijn droom in duigen, nu kon ik het immers niet meer negeren? Een paar dagen later vertrok ze met de jongens en ik bleef achter. Op de koop toe werd ik ook nog ontslagen wegens bezuinigingen in het bedrijf, ook dat had ik aan zien komen maar proberen te negeren. De klap kwam laat, maar hij kwam. Ik viel in een gat en soms kon Clou me daaruit trekken, soms kon hij me opvrolijken. Meestal niet, dan kwam hij niet door de laag alcohol heen. De alcohol was voor mij weer de manier om mijn leven te vergeten, de pijn van eenzaamheid een moment te verzachten. Clou wist ook dingen te negeren. Hij zat opgesloten in een web dat hij voor zichzelf had gesponnen. Hij kon aan niemand zijn verhaal kwijt. Hij had problemen, kleine met alcohol, grote met gokken. Hij werd depressief door de dingen die in zijn leven gebeurden; verliezen van een vader aan de alcohol, het krijgen van een moeder die hij niet wilde, iedereen die om hem heen hing met zijn of haar problemen en niemand die hem opving. Langzaamaan begon hij ongemerkt goede dingen te negeren of te verdraaien, slechte dingen in zich opnemen. Hij werd depressief en maakte er een eind aan. Ik geloof wel dat hij wist wat hij deed. De politie heeft me verteld dat hij dronken was toen hij zich opknoopte, maar toch voel ik dat hij het heeft gepland. Dat hij al een tijdje met het plan rondliep, dat kan niet anders. Daniëlle gaat verhuizen en heeft me gevraagd of ik mee ga of niet. Ik twijfel nog, Ricardo zal het zonder mij wel redden. Danni ook, maar of ik het zonder hun red? Ze is wel veranderd, mijn vrouw, ik ook, neem ik aan. Ik probeer van de drank af te blijven, hoe moeilijk het ook voor me is.

Schrijver: Janneke, 4 feb. 2003


Geplaatst in de categorie: overlijden

2,3 met 9 stemmen 3.112



Er is 1 reactie op deze inzending:

Naam:
Helen Josephs
Datum:
5 feb. 2003
Email:
helen.josephspandora.be
Je had dit beter in een paar keer gesplitst. Elk stukje op zich is goed, maar het geheel is veel te lang voor dit tabblad. Beter de lezer aan je binden, door steeds een nieuw stukje te plaatsen, dan alles in één keer neer te zetten.

Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)