Inloggen
voeg je verhaal toe

tabblad: verhalen

< vorige | alles | volgende >

verhaal (nr. 2691):

Tekenbeet

Hij heeft een maand bijna niks van haar gehoord. Eerst, toen ze er pas was, bijna elke dag. De Grote Stad. Het viel haar zo tegen. Niks dan bos en inrichting. Haar klasgenoten. Ook al van die provinciaaltjes. Beter zo, dacht Hans. Geen concurrentie. En misschien zou ze wel snel weer terugkomen. Dat schreef ze tenminste, de eerste week al.
Maar toen was het nog koud, toen was het nog maart, toen was de paddentrek nog maar net begonnen.

Ze is er niet. De jongen die hem binnenlaat zit bij haar in de klas. Jan, Jan of all names. Een dikke, wat onhandige jongen. Eigenlijk precies zoals ze hem beschreven heeft in een brief. Ze lachte om hem, maakte hem een beetje belachelijk, maar, tegelijkertijd, was hij ook haar steun. Die eerste maand. Jan laat hem in haar kamer. De muren zijn nooit oranje en paars geworden. Ergens in een hoek de potten. Weer zo'n nooit voltooid Woemi-project. Op het bureau de studieboeken. Een uittreksel, een cassette. Hans steekt hem in de recorder. Klassiek. Vreemd, Woemi en klassiek. Piano, wel mooi eigenlijk. Satie begrijpt hij, als hij eindelijk het doosje gevonden heeft. Woemi en orde, gelukkig is niet alles gelijk veranderd.

Ze heeft dagdienst, volgens Jan. Of is ze vrij? Eigenlijk weet hij het niet. In het begin zat ze bijna elke avond bij hem op de kamer. Te roddelen over de leraren, de gekken na te doen. Woemi zat op haar hurken, deed Frans na. Die naargeestige, zeurderige, maar ook dwingende stem. Altijd die kans dat het fout zou gaan, altijd dat naderende onheil. Dan vlogen er weer kopjes door de zaal, of stond hij met een stoel te zwaaien. De eerste dode. Woemi was er vol van. Dat het juist de Tsarina moest zijn. Ze legde haar in bed, ze voelde zich niet lekker. En knal, bang, ze slaat met haar kop achterover en geeft de geest. Geen staatsbegrafenis, maar gewoon, van de armen.

Het kan nog wel even duren. Het kan nog jaren, eeuwen duren. Hans kijkt uit het kleine raam. Geen fraai uitzicht. De grote, donkere gebouwen aan de overkant staan te dichtbij. Niks voor Woemi. Die houdt van de zon, die houdt van lucht en leven. Als ze nu zou komen, en zou het hem vragen, dan zou hij het doen. Dan zou hij haar nemen. Leven, dat wil ze, neuken, dat wil ze, getrouwd of niet, geen bal mee te maken.

Maar Woemi komt niet meer. Woemi wandelt. En neukt, zomaar ergens in een warm duinpannetje. Ze heeft haar Grote Liefde gevonden. De paddenjongen heeft haar meegelokt, eerst naar het zwembad. Daar hebben ze naakt gezwommen. Voor het eerst dat ze zo een jongen ziet. Zijn kleine lid, nog kleiner als ze in het koude water geweest zijn. Alles. Woemi wil, wil hem.
‘Het paddenjong', zo noemt ze hem, haar eigen paddenjong. Ze wandelen en praten en neuken. Meer niet, meer is er niet nodig als je verliefd bent. Ze ziet de zee, het mooie strand, zo anders dan het vieze slik waarmee ze in de provincie zijn opgescheept. Zelfs de mensen die er zitten lijken er mooier, geciviliseerder. Ze drinken er wijn op het terras, zomaar, op klaarlichte dag en ze hoort ze praten. ‘He, Jan-Willem ook weer terug uit Italië, hoe was het?'
‘Ja best.' Meer niet. Morgen gaat hij weer. Of moet hij in Madrid of Moskou zijn.

Italië. Woemi gloeit. De jongen heeft het haar beloofd. Hij zal haar meenemen naar Italië, niet nu, het is te vroeg, over liever: te laat, de vakanties zijn al gepland, vergeven, hij kan niet weg als ze vrij is, maar later,volgend jaar al gaan ze. Woemi sluit haar ogen en droomt. Roma, ‘citta della donna', nog even en ze lopen er samen, hand in hand.

Ze lopen door naar het stille strand. ‘Het fietserstrand noemen we het hier' zegt hij. Naaktstrand ook. Ze kleden zich uit en zwemmen, naakt. Als je gezwommen hebt is het nog koud. Hogerop is het warmer. Er zijn meer dan genoeg uitnodigende duinpannetjes.
‘Dit weekend moet ik nodig een keer naar huis' zegt ze, als ze teruglopen.
‘Ja, logisch, dat begrijp ik' zegt hij.
‘Je moet zeggen dat je me dan een klein beetje mist'.
‘Een klein beetje dan' zegt hij. Maar pas nadat ze hem gekieteld heeft, en daarna, als dat niet lijkt te helpen, stijf tegen zich aangedrukt. Maakt niet uit, ze weet toch wel dat het niet waar is.
‘Kan ik meteen de dokter naar die tekenbeet laten kijken'. Een rood kringetje, wat jeukend, verstopt aan de binnenkant van haar dij. En dat ze al drie weken over tijd is, dat moet ze ook zeggen. Tegen de dokter dan, tegen de jongen zegt ze niks. Het is te goed, zo.
‘Maak je niet druk, het is niks.' Nee, dat is wel een minpuntje. Hij maakt zich nooit druk. Wat zou hij zeggen als? Hetzelfde? Maar ze is het niet.

Het is al bijna donker als ze thuiskomt.
‘Er is een jongen voor je geweest' zegt Jan. Hans, dat kan niet anders. Jan heeft duidelijk behoefte aan een praatje. Woemi niet.
‘O' zegt ze alleen maar. In de spiegel ziet ze een roodbruin verbrand gezicht. Dromerige pianomuziek vult haar kamer. Ze is niet zwanger, ze is gewoon gelukkig.

(Dit is deel drie van de serie “Het paddenjong”.
De andere delen zijn: Het paddenjong en De Grote Stad.)

Schrijver: jorrit, 28 mrt. 2008


Geplaatst in de categorie: vriendschap

2,3 met 43 stemmen 1.280



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)