Ademwolken
De buitendeur slaat dicht.
De keukendeur zwaait open.
Hij staat in de deuropening, buiten adem. Zijn jas hangt half van zijn schouder, zijn haar nat van zweet.
Zijn ogen schieten langs haar over de tafel, de drie borden, de pan. Haar handen om een bord.
Hij komt naar haar toe, pakt haar onderarmen vast.
‘Zeker?’
Zij knikt, nauwelijks zichtbaar. Hij laat haar los, staat op, wankelt.
‘Waar?’
‘Boven.’
Hij loopt weg. Op de trap kraakt een trede. Nog één. En nog één. Daarna is het stil.
Ze kijkt naar de pan. In het vlies op de soep zitten scheurtjes als een dunne, gebarsten huid.
Voetstappen op de trap. Langzaam. Loodzwaar. De klink beweegt.
Hij loopt naar het aanrecht, draait de kraan open en steekt zijn handen in het water. In de gootsteen schuimt een donker spoor naar het putje. Hij draait de kraan dicht. Langzaam keert hij zich om. Zijn ogen zijn nat.
Zij knikt. Eén keer.
Buiten begint het te regenen.
Ze eten niets.
’s Nachts graven ze op het erf. De pechlamp staat op een omgekeerde emmer. Geen woorden, alleen ademwolken.
’s Morgens peutert ze met een briefopener de modder onder haar nagels vandaan.
Hij belt zijn werk.
Geplaatst in de categorie: ouders

Geef je reactie op deze inzending: