Inloggen
voeg je verhaal toe

tabblad: verhalen

< vorige | alles | volgende >

verhaal (nr. 653):

Mondigheid

Kant: “Aufklärung ist der ausgang des Menschen aus seiner selbst verschuldeten Unmündigkeit. Unmündigkeit ist das Unvermögen, sich seines Verstandes ohne Leitung eines anderen zu bedienen”

Men accepteert dat voor mondigheid kennis van zaken vereist is. Studie en ervaring zijn noodzakelijk, voordat recht van spreken verworven is. Tussen haakjes, recht van spreken blijkt een onjuiste term te zijn. Een betere formulering zou “vermogen tot spreken” zijn.

Uit de manier van uitdrukken is duidelijk af te leiden hoe het staat met het kennis niveau van de spreker. Daaruit blijkt vaak dat men bij sommige onderwerpen te snel denkt een woordje te kunnen meespreken. Onderwerpen die zich daarvoor lenen zijn: mensenkennis, religie, gezond verstand (verder wordt er aan ze gerefereed als “mistige onderwerpen”). Alsof bij mistige onderwerpen geen gedegen studie en onderzoek nodig zouden zijn.
We moeten ons om te beginnen afvragen in hoeverre objectiviteit verkregen kan worden. Mondigheid is niet op gemeenschappelijkheid of op vrije meningen gebaseerd. Toch maken meningen en vage overtuigingen de dienst uit in geloof (denk aan astrologie, boomaanbidding, allerlei angsten), mensenkennis (denk aan oordelen, roddel en pesterij) en gezond verstand (denk aan “laat niet over je heen walsen” en “denk om je assertiviteit”).
Is er überhaupt iets zinnigs over mistige onderwerpen te zeggen? Hoe ideaal het ook wordt voorgesteld, rede, kennis en verstand stellen weinig voor zonder essentiële ervaring. Zuiver theoretische kennis, zonder toepassing en zonder terugkoppeling, blijkt een armzalige bedoeling. Dit geldt voor de hedendaagse samenleving van politiek, wetenschap en techniek als ook voor mistige onderwerpen. Wij moeten dus onderzoeken hoe wij tot kennis kunnen komen in de door willekeur en pseudo-wetenschap omgeven terreinen van het weten.

Wij hoeven niet met lege handen te beginnen. Er is veel geschreven, maar wij moeten ons afvragen of wij gebruik mogen maken van wat oude filosofen, dichters en wetenschappers over mistige onderwerpen hebben gemeld. Daarop zeg ik het volgende: De uitdrukkingswijzen die ons aanspreken door hun treffende formulering mogen wij koesteren, maar de woorden moeten ook onomwonden en herhaaldelijk getoetst worden aan de dagelijkse praktijk die wij gedurende ons hele leven ervaren. Misschien kunnen wij dingen herinterpreteren en opnieuw formuleren, maar ook dan moet een terdege verificatie plaats vinden. En daarin moeten wij geduld en passie betrachten en niet te snel naar een conclusie toe willen werken.

Gebruikmaking van oude geschriften is een onderzoeksmethode gebaseerd op taalgebruik. Taalgebruik en denken staan in een innige relatie tot elkaar en wat iemand opschrijft zal [uiteindelijk] het meest waardevol zijn voor de schrijver zelf en pas in tweede instantie voor anderen. Wat in het verleden over mistige onderwerpen geschreven is, is uit het denken van die tijd voortgekomen. Zoals wij de woorden nu kunnen lezen, moeten wij er een beschouwende afstand toe bewaren, hoe overrompelend mooi de uitgedrukte gedachten ook mogen zijn.

In het volgende citaat van Eckermann, spreekt Goethe over de kennis van de wereld. Goethe zegt in dat gesprek dat de kennis van de wereld de echte dichter is aangeboren en dat er helemaal geen grote empirie of ervaring voor nodig is de wereld te beschrijven. Maar hij zegt erbij: “Ik beleefde altijd al alleen plezier aan het beschrijven van mijn innerlijke wereld, voordat ik de uiterlijke kende. Toen ik later in de werkelijkheid vaststelde dat de wereld was zoals ik me haar had voorgesteld, stond ze me tegen en had ik geen zin meer haar te beschrijven.” (Gesprekken met Goethe, Eckermann, 26 februari 1824)
Goethe heeft ook gezegd: “Een taal bewijst haar kracht niet door het vreemde af te wijzen, doch door het in te lijven.” We worden door Goethe’s uitspraken aangespoord om te zoeken naar verwoording van wat we [nog] niet snappen. En dat wij, door in onszelf te zoeken, wel iets van kennis moeten vinden over beide werelden, de innerlijke en de uiterlijke. Voor uiterlijk kunnen wij alles invullen wat van buiten komt, de informatiestromen [over mistige onderwerpen], de dagelijkse gebeurtenissen, kortom alles wat we als object kunnen bestuderen. Innerlijk is wat we zelf daarover bedenken en wat we ervaren als we onze gedachten ordenen en verwerken. Onze energie en drijfveren behoren ook tot het innerlijk. Kort gezegd, innerlijk is wat tot ons subject behoord (Tussen haakjes: Het is mogelijk om het subject als object te bestuderen).
Wat wij opschrijven [of zeggen] blijkt dus zowel een beeld van ons innerlijk als van ons onderwerp te zijn. Wat aan het papier werd toevertrouwd, kan onder invloed van de tijd in een nieuw daglicht komen te staan. Misschien is het niet meteen duidelijk wat is opgeschreven en groeit het in een later stadium naar de status waarnaar we zoeken: kennis, begrepen gedachten. Maar de status van beeld zal het nooit verlaten.

Kant zegt: “Verlichting is het bevrijden van de mens uit zijn onmondigheid, waaraan hij zelf schuld heeft. Onmondigheid is het onvermogen zijn verstand te gebruiken zonder leiding van een ander.” Goethe zegt: “Een fout van de zogenaamde verlichting: zij schenkt de mens een illusie van objectiviteit, terwijl zijn subjectiviteit blijft bestaan.”
Kant was filosoof en getuige zijn stelling geloofde hij in de ware mondigheid. Goethe was voor alles dichter, maar streefde ook empirie en objectiviteit na. Goethe lijkt begrepen te hebben dat ware kennis gebaseerd is op het besef van de eigen subjectiviteit. Op grond daarvan koos hij niet voor de filosofie maar voor de kunst. Kant’s mondigheid komt uiteindelijk ook niet veel verder dan een ontkenning van de mogelijkheid de realiteit te zien zoals die is. Ik denk dat ze over mondigheid van mening verschilden.
Dat kennis bevestigde vermoedens en overtuigingen zijn, blijft overeind. Om de mondigheid te bereiken, moeten wij onpartijdig Kant’s en Goethe’s houding onderzoeken. Niet door te zoeken door wie de beide heerschappen gesteund worden of wie het meeste geciteerd wordt of met wie wij ons het meest verwant voelen, maar door in de werkelijkheid beide standpunten te toetsen. Misschien leidt zulk onderzoek tot inzicht in mistige onderwerpen, zodat we vermogen tot spreken [en schrijven] verkrijgen in Kant’s definitie van het woord.

Aangepast: 07-03-05

Illustratie: Kant
Schrijver: Willem Houtgraaf, 3 jul. 2004


Geplaatst in de categorie: taal

1,9 met 12 stemmen 1.766



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)