Puberbrein
Ik het twee dingen met Wim T. Schippers gemeen. We horen nergens bij en we hebben een letter in onze naam. Die letter dank ik niet aan hem, maar aan John F. Kennedy. Mogelijk is zijn T ook afkomstig van de Amerikaanse traditie om die tweede letter te gebruiken. Niet dat ik Amerikanofiel ben, maar Wim T. en ik groeiden wel samen op in een tijd dat de Verenigde Staten nog goed was. De oorlog in Vietnam was na-tuurlijk wel een blamage, waar John F. Kennedy zich ook niet uit wist te worstelen, maar goed, voor de rest deugde Amerika wel.
Alsof oorlog een vlekje op je blazoen is.
Toch is er een belangrijk verschil tussen Wim T. en ondergetekende. Ik was een fan van hem en hij niet van mij. Hoe kon hij ook. Hij kende mij niet. Daar heb ik ook nooit enige moeite toe genomen. In tegenstel-ling tot hij, probeerde ik nog wel ergens in te passen – ook al had ik al in mijn pubertijd door dat dit nooit helemaal zou lukken. Ik werd een Groninger die niet uit Groningen kwam. Ik was een Astreaan die niet uit de volksbuurt kwam. Ik werd een ICT-er zonder er echt bij te horen. Ik was jarenlang actief in de PvdA, maar de partij gunde mij nooit een politieke functie. Nu ben ik lid van rekenkamers en het mooie van een rekenkamer is dat je niets te zeggen hebt, maar alles mag bekijken en onderzoeken. Voor iemand die het wil snappen een heerlijke baan. Als rekenkamerlid moet je zelfs zeggen hoe het zit.
En daar zit wel een kneep. En als je feiten aandraagt, tegenwoordig - maar dat zal vroeger misschien be-schaafder maar nooit echt anders geweest zijn - als je feiten aandraagt die mensen graag willen zien, wordt je geprezen en op een schild gehesen. Als je daarentegen feiten aandraagt die mensen niet willen zien, wordt je geschoffeerd en publiekelijk aan de schandpaal genageld. Als rekenkamer geef je de politici de feiten en sommige politici willen alleen de gewenste feiten en als er andere feiten zijn, moet de bood-schapper dood.
Wim T. Schippers zocht geen feiten, maar de grens van de kunst. Zijn toonbeeld van die grens was een soort feit die soms woede wekte. Dat laatste is dan ook een overeenkomst tussen Wim T. en mij, de kun-stenaar en de onderzoeker. Die ervaring van de boodschapper die dood moet, heeft hij vaker dan ik gehad. Maar hij heeft gewonnen. Na zijn dood wordt de pindakaasvloer weer in het museum aangelegd. Het is kunst, de kunst van de tegendraadsheid van Wim T. Schippers.
Op het terrein van de universiteit van Twente mochten studenten stemmen over een kunstwerk. Ik weet niet meer welke kunstwerken het niet werden en ik denk dat ik stemde op het kerktorentje in de vijver van Wim T. Schippers, maar ik weet niet eens zeker of ik heb mogen stemmen. Ik ben wel blij dat hij er gekomen is. Wel staat vast dat het torentje van Schippers won. Hij had graag een echte oude toren gehad, de kerktoren van Sleen bijvoorbeeld, maar geen enkele kerk stond zijn toren af. De kerkelijken lieten hun toren liever slopen, dan dat ze hem gaven voor een ludiek kunstwerk. Er is een nieuw torentje gebouwd dat nu in de vijver oud staat te worden. Is het een toonbeeld van leegloop van kerken? Is het een eerbe-toon aan de klimaatverandering? Ik denk het niet. Ik denk dat het een overwinning van het puberbrein. Het kinderbrein. De brein van de tegendraadsheid.
Dat is mijn brein. En dat is het brein van Tim T. Schippers. En mijn brein is een fan van dat van Wim T. Zo is mijn brein niet zo alleen.

Geef je reactie op deze inzending: