Inloggen

tabblad: dagcolumn

< vorige | alles | volgende >

dagcolumn (nr. 3512):

GEEN BELLER

‘Heeeee, hoe is het afgelopen, wat zei de huisarts?’
Ik vind het een aardige openingszin.

Bij hoge uitzondering bel ik mijn hartsvriendin met wie ik normaliter schrijf en dat al meer dan dertig jaar. Ze is verbaasd, maar soms is een telefoontje wel handig.
´Roos, wat een verrassing joh!´
Ik antwoord dat het weer eens iets anders dan appen en mailen en corresponderen per post. Hoewel ik bepaald geen beller ben, maak ik voor een enkeling wel eens een uitzondering.

Ze heeft een nieuwe slaappil gekregen. Welgemeend zeg ik dat ik hoop dat hij aanslaat.
Ze is kippensoep aan het maken. Haar echtgenoot neemt die taak tijdelijk over tijdens ons gesprek. Op de achtergrond hoor ik duidelijk mannelijk gegrom en gebrom.

‘Wacht even hoor, Roos.’
Het klinkt verontschuldigend.
‘Ja Jan, de kip eruit en even in kleine stukjes snijden.’
Jan is nogal doof, dus tettert ze ook in mijn oor, als ze dit richting keuken roept.

‘Uhhhhh, waar waren we?’
Nou je krijgt gelukkig een ander slaapmiddel zei je.
‘Oh ja.’
Ik vertel haar op mijn beurt dat mijn dosis plaspillen iets wordt opgehoogd.
‘Wat krijgen we toch veel mankementen hè, nu we ouder worden. Wacht even hoor, Roos. Ja, Jan, er moet nu ook een bouillonblokje in.´
Ik merk op dat we nogal pragmatisch bezig zijn.
Gelukkig houdt ze de telefoonhoorn nu iets verder van mij weg. Ze heeft nogal een schelle stem.

‘Nou, we zijn geloof ik met zijn drieën aan het praten nu.’
Ik kan het niet laten dit te berde te brengen. We zijn over op een gezamenlijke kennis die in het ziekenhuis ligt en gaan net de diepte in over Corona, als ik Jan wederom iets onverstaanbaars hoor bassen.

‘Ogenblik hoor, Roos, ja nu de stukje kip er weer in, Jan, en dan nog de vermicelli. Niet vergeten hoor!’
‘Nou, nou, het is wel een gesprek met onderbrekingen, ik bel eens een keer.’
Ze lacht en is het er volledig mee eens. Ik probeer het gesprek langzaam naar een eind toe te praten, maar daar trekt ze zich niets van aan. Dat kom ik vaker tegen. Men houdt de ander dan vast alsof men hem niet los kan laten.
Uiteindelijk moet ik dan wel komen met iets als: ’Nou, meid, we zijn weer aardig bij en gaan maar hangen hè, vind je niet? Wie is er het eerst aan de beurt met schrijven? Oh ja, ik, want jij stuurde een hoofdstuk van je autobiografie op de laatste keer, weet je nog?’
Ze beaamt dat en met het vreselijke ‘doei’ dat zelfs ons taaluniversum is binnengeslopen, nemen we afscheid.
Ik zie opeens weer haarscherp voor me waarom ik niet zo’n beller ben.

Schrijver: Anneke Haasnoot
4 sep. 2020


Geplaatst in de categorie: mannen

4,3 met 3 stemmen 75



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)